Vriendschap

‘De koning is een zwakkeling, die kan ik alles laten doen wat ik maar wil. Moet hij opzitten en pootjes geven, dan zeg ik dat hij dat moet doen en verdomd, hij doet het. Dan kijkt hij mij aan met angst in de ogen en lijkt het alsof hij mij vraagt: ‘was het goed zo?’ Ja de man heeft geen ruggengraat, maar dat is algemeen bekend. Alleen als hij dronken is, is hij niet bang en daarom is hij natuurlijk ook bijna altijd dronken. Nee, over hem maak ik mij geen zorgen.

Maar dat rotjong van hem, sinds hij kan lopen krijg ik de kriebels van hem. Met die felle zwarte ogen kan hij je aankijken. Ik weet dan niet wat hij ziet, ik weet niet wat hij denkt, ik krijg geen hoogte van hem. Heel soms, als hij zich onbespied waant, dan meen ik zijn ‘echte ik’ te zien. Dan zie ik haat in zijn ogen, pure, moorddadige haat. Hij haat zijn vader, hij haat de magistraten, hij haat mij. Intense haat.

En dat moeten we eruit krijgen, hij moet breken, hij zal breken, dat kan niet anders, want hij is alleen. Kinderen die alleen zijn, gaan uiteindelijk altijd kapot. Dan zullen ze gaan houden van diegenen die het dichts bij hen staan, ook al zijn het mensen die ze eigenlijk willen haten. Ik zal hem breken en ervoor zorgen dat hij uiteindelijk van mij zal houden. Dat zal wel moeten, want ooit wordt hij koning, gewoon omdat er geen alternatief is. Daarom moet hij leren van mij te houden. En dat zal lukken, geen enkel probleem. Nog een paar jaar, en dan zal hij net als zijn vader mijn hielen likken.

Maar het allerliefste zou ik hem beetpakken en met zijn hoofd tegen de muur slaan tot zijn schedel kraakt en ik zijn hersens kan uitsmeren tegen de muur.

Want ik haat dat jong. Met zijn donkere, lege ogen. Ik haat hem. Hij maakt mij bijna bang.’

Dagelijkse rapportage huismeester Pinas aan de consuls

Het duurde een jaar voordat ik Atorro terugzag. Ik struinde niet meer door de gangen in de Burcht, het was me te gevaarlijk. Daarnaast speelden er andere dingen. Ik werd opgenomen in een groep jongens, met wie we de stad afstroopten. Ik vond het leuker en minder gevaarlijk dan alleen door de gangen sluipen en daardoor dacht ik niet meer aan de kroonprins. Ik was de jongste van onze bende, maar omdat ik sterk was en alles durfde, telde ik toch voor vol mee.

Juka zag hem als eerste. Hij viel dan ook op in zijn mooie kleren en zijn schuchtere manier van lopen. Juka, onze zelfverklaarde leider, liep op hem toe en pakte hem meteen beet. ‘Wat mot jij hier op ons gebied,’ zie hij. ‘Weet je niet dat dat verboden is.’

‘Het spijt me,’ zei de jongen rustig, ‘en laat me los, nu meteen.’

In plaats van dat te doen tilde Juka, die zeker twee koppen groter was, hem op zodat hij met zijn voeten in de lucht trappelde. Mijn vrienden lachten hem uit. Ondanks zijn benarde positie keek de jongen rustig rond. Op het moment dat hij mij aankeek, herkende ik hem.

‘Laat hem los, Juka,’ zei ik. ‘Laat hem los, hij is mijn vriend.’

Hoewel Juka veel sterker was dan ik, deed hij wat ik zei. Blijkbaar had hij geen zin in een vechtpartij, die hij weliswaar zou winnen, maar hem toch ook pijn zou doen, want ik stond bekend als een felle vechtersbaas. En meer dan zo’n jongen uit de Burcht een beetje bang maken en pesten kon ook weer niet. Hem mishandelen of beroven zou ernstige repercussies tot gevolg hebben en daar had niemand zin in. Hij liet Atorro dan ook vrijwel meteen los.

De jongen draaide zich om, keek Juka even aan en zei toen ‘bedankt.’ Daarna liep hij op mij af. ‘Kom mee, Ate’ zei hij alsof ik hem gisteren nog gezien had, ‘laten we gaan.’

Ik volgde hem, zonder te beseffen dat mijn leven vanaf dat moment een totaal andere loop zou nemen. De dagen daarop kwam Atorro elke dag buiten de Burcht. Ik regelde andere kleren voor hem zodat hij niet meer opviel. Samen zwierven we door de stad. Atorro genoot, dat was duidelijk. Ik liet hem de hele stad zien en hij vroeg me honderduit.

Juka en zijn bende vonden het eerst maar niets dat mijn nieuwe vriend mij zo in beslag nam, maar toen ze er wat van zeiden, keek hij hen zowel uit de hoogte als woedend aan dat zij er niet op door gingen. ‘Jullie raken je vriend niet kwijt,’ zei hij. ‘Integendeel, als jullie mij trouw blijven, krijgen jullie er een vriend bij.’

Zij wisten toen nog niet wie hij was, maar beseften wel dat hij voor hen een maatje te groot was. Omdat ze zijn echte naam niet kenden, noemden ze hem onderling ‘de jonker’. Omdat ik niet wist of Atorro geheim wilde houden wie hij was, had ik zijn naam niet genoemd naar mijn vrienden.

Na enkele dagen raapte ik op een gegeven moment een pamflet op dat op de grond lag. Ik deed alsof ik het las en maakte er enkele flauwe grapjes over. Iedereen, want we waren op dat moment allemaal bij elkaar, moest lachen. Maar Atorro keek me vragend aan.

‘Lees eens voor,’ zei hij toen.

En, al kon niemand van ons lezen, zei ik toch een beetje beschaamd dat ik dat niet kon.

‘En jullie dan,’ vroeg Atorro aan Juka en mijn zus Padme die ook bij ons was.

‘Wat denk je nou,’ zei zij fel. ‘Denk je echt dat ons ma geld heeft om ons naar een school te sturen? Wij moeten werken om jouw soort in staat te stellen je luxeleventje te laten leiden.’

Atorro zweeg, niet geïmponeerd door haar aanvallende toon. Na een tijdje zei hij: ’Dat is niet goed. Ga morgen naar de markt en wacht daar op mij. Ik zal het regelen.’

Hij legde niet uit wat hij van plan was, maar op een of andere manier begrepen Juka, Padme en ik dat tegenspreken geen zin had en hij boos zou zijn als we morgen niet op de genoemde plek zouden zijn.

Dus stonden we de volgende ochtend op de markt. We hingen wat rond en zorgden dat we niet opvielen. Marktlui hielden ook toen al niet van jongelui die maar wat rondhingen en niets deden. Dat was slecht voor de handel, zeiden ze. Dat wij ooit eens hun klanten zouden zijn, kwam blijkbaar niet in ze op.

‘Waar ken je de jonker eigenlijk van,’ vroeg Juka mij. Hij vertrouwde hem nog steeds niet, met zijn mooie kleren en zijn accentloze praten.

‘Oh, zo maar, eens tegenkomen,’ mompelde ik, want ik had mezelf beloofd nog steeds niets te zeggen over Atorro’s afkomst. Een belofte waar ik eigenlijk wel spijt van had, want ik moest me daardoor in bochten wringen voor mijn vrienden, die wel door hadden dat ik geheimen voor hen had.

Er kwamen soldaten het plein opgemarcheerd. Ze maakten de weg vrij, waarschijnlijk voor een belangrijke koopman of raadsheer. Machthebbers waren toen absoluut niet geliefd, maar toch bleven we staan. Niet alleen nieuwsgierig naar wie passeren zou, maar ook omdat ze soms geld of eten uitdeelden. En dat soort buitenkansjes lieten we nooit lopen.

Een grote koets met het wapen van de Koninklijke familie op de deur kwam het plein opgereden. Vlak voor ons stopte de koets.

‘Ik wil met hen spelen,’ hoorde ik een bekende stem roepen. De deur klapte open en ik keek recht in de ogen van Atorro. Naast hem zat zijn vader, de koning. Het leek alsof die wilde protesteren, maar hij slikte zijn woorden in, omdat Atorro al uit de koets was gestapt en op mij afliep. Padme en Juka waren met stomheid geslagen. Waarschijnlijk had Atorro dat wel ingecalculeerd, want hij richtte zich daarom alleen tot mij.

‘Hoe heet je? Ik wil met je spelen.’

Even wist ik niet wat ik moest zeggen, toen mompelde ik mijn naam.

‘Zo, Ate dus. Mooie naam. Kan jij lezen en schrijven?’

‘Nee, heer.’

‘Dan ben je stom en wil ik niet met je spelen.’

De botheid schokte mij, maar de bedienden die om ons waren gaan staan, moesten lachen. En ook de koning kon een glimlach niet onderdrukken.

‘Zorg dat ze leren lezen, dan wil ik met ze spelen,’ blafte Atorro naar één van de lakeien, waarna hij zich weer omdraaide en in de koest ging zitten. De koets zette zich, nadat Atorro weer was ingestapt, weer in beweging. Een lakei, die me vol verachting aankeek, zei ons dat we ons de volgende ochtend moesten vervoegen in de Burcht. ‘En waag het niet om niet te komen,’ beet hij ons nog toe. ‘Totdat zijne Koninklijke Hoogheid genoeg van jullie heeft, staan jullie tot zijn beschikking. Begrepen!’

‘Jij wist het,’ zei Padme toen we terugliepen.

‘Wat.’

‘Dat hij de prins is, dat hij ons …’

‘Dat hij prins was, wist ik. Dat hij ons zou dwingen naar school te gaan niet.’

Gelukkig geloofden ze me. Ze wisten dat ik nooit loog.

Juka had hele andere problemen. ‘Hoe moet dat nu,’ jammerde hij. ‘Nu kan ik niet meer werken. M’n pa zal me m’n poten breken.’

Maar dat viel mee. ’s Avonds kwam een lakei zowel bij ons thuis als bij Juka met de opdracht voor onze ouders om ons te laten gaan. Wat hen overhaalde was echter niet het feit dat wij nu de kans kregen iets te leren. Wat hen overtuigde was enerzijds het dreigement van de lakei en anderzijds de garantie dat ze genoegdoening zouden krijgen voor de gederfde inkomsten.

Zo kwam het dat we ons de volgende dag met ons drietjes meldden bij de ingang van de Burcht. Een lakei bracht ons daarna naar de school. We werden daar bekeken alsof we zeldzame dieren waren: eng, misschien gevaarlijk, maar vooral onbekend. Vanaf de allereerste dag begonnen de pesterijen. Ze deden ons taalgebruik na en knepen hun neus dicht als we binnenkwamen. Wij zouden ons na een paar dagen zeker gedrukt hebben, als we niet hadden gezien hoe Atorro behandeld werd. Na twee dagen wisten we waarom Atorro ons naar binnen had gehaald. Hij had ons nodig om te overleven. En dat was voor ons voldoende om vol te houden.

In die dagen, moet je weten, was de koning niet populair. Je overgrootvader had het er dan ook naar gemaakt. Hij was ronduit zwak, doorlopend dronken en danste volledig naar de pijpen van de consuls. Hij ondertekende wat zij hem zeiden te ondertekenen, had geen eigen mening en was eigenlijk altijd bang. Bang voor de consuls, bang voor de hofhouding, bang voor het volk en bang voor zijn eigen zoon. Daarom liet hij hem volledig over aan de willekeur van de hofhouding. En die haatten de kroonprins. Waar ze ons uitlachten, negeerden ze hem. En waar ze ons negeerden, mishandelden ze hem. Maar altijd zo dat er geen littekens achter bleven, althans geen zichtbare.

Ik heb je opa nooit zwak gezien, nooit behalve die eerste jaren. Toen had hij ons nodig. Zonder ons was hij doodgegaan, dat weet ik zeker. Daarom zijn we gebleven. Hij had ons nodig. Ons en Silaäs. Daarna draaide dat om en had ik hem nodig. Nu nog steeds.

Maar ondanks zijn zwakte was hij wel degene die bepaalde wat er gebeurde. Nee, ik zie hem dan ook niet als een God. Toen niet, nu niet. Voor mij is hij een grote marionettenspeler. En ik was één van zijn poppen, zelfs zijn favoriete pop. Zo was het al vanaf het begin. De keer dat hij mij betrapte in de Burcht, ik denk dat hij toen al zijn plannen maakte, al was hij toen slechts negen. Maar toen moet hij al bedacht hebben dat hij mij ooit nodig zou hebben. Ik denk dat meteen na de eerste keer dat hij mij buiten de Burcht ontmoette, hij al een plan maakte om te zorgen dat we bij hem in de klas kwamen. Zo was het vanaf het begin: hij bepaalde wat er met mij, Juka en Padme gebeurde. Maar ik nam het hem niet kwalijk. Ik hield van hem. Ik hield van hem als was hij mijn jongere broer. Ik houd nog steeds van hem.

Bondgenoten

‘Mijn zoon, verzet je toch niet. Je zult niets bereiken door halsstarrig te zijn. Pas je aan. Maak vrienden. Anders zullen ze je verslinden. Je snapt het niet, je bent nog jong, maar zonder hen zul je het niet redden. Weet het, ooit heb ik het geprobeerd. Toen ik jong was, heb mij verzet. Stelde ik de wandaden van de elite ter discussie. Zei ik dat wij er toch zijn om het volk te dienen. Maar het was zinloos. Zwemmen tegen de stroom in. De machtigen zijn machtiger dan wij. Dat moeten we accepteren. Daarom, pas je aan, kies voor je eigen vrede en welzijn. Dan kan je een goed leven hebben, genieten van alles wat de wereld je te bieden heeft. Daarom, ik vraag je, ik smeek je, ik adviseer je: pas je aan.

Doe je dat niet dan zal je lot uiteindelijk vreselijk zijn. Alsjeblieft pas je aan, red je zelf!

Nee, kijk niet weg alsof je me niet gehoord hebt, ik weet dat je dat wel hebt. Kijk mij aan.

Rotjoch.’

Afgeluisterd gesprek tussen koning Elasser de 17e en zijn zoon Atorro

Toch was ons bondgenootschap nog niet compleet. Er zou nog een man bijkomen: Silaäs. Hij smeedde ons, zonder dat ik het toen al wist, samen tot een team. Want een team werden we, of eigenlijk meer dan dat. We waren bloedbroeders: Atorro, 10 jaar, Juka veertien jaar, Padme, ook veertien jaar en ik twaalf jaar. En dan nog Silaäs. Ik had geen idee hoe oud hij was. Pas jaren later las ik dat hij, toen hij Atorro onder zijn hoede nam, al in de vijftig was, een oude man dus.

Ik heb Silaäs maar een paar keer gezien en alleen van afstand als ik hem toevallig in de stad tegenkwam. En als onze blikken elkaar dan kruisten deden we beiden alsof we elkaar niet kenden. Dat was niet afgesproken, dat ging vanzelf. Silaäs was wel altijd bij ons en nu, meer dan zeventig jaar na zijn dood, is hij dat nog steeds. Hij is nog net zo levend als Atorro en ik, de laatste overlevenden van de bloedbroeders. Maar op dat moment wist ik nog niet van het bestaan van Silaäs.

We gingen zes dagen achter elkaar school en hadden dan één dag vrij. De klas bestond uit twintig kinderen, wij vieren en kinderen van de belangrijkste vrije burgers en magistraten. Ik heb al verteld dat we gepest werden. Toen we de eerste keer binnen kwamen, knepen alle leerlingen, Atorro uitgezonderd, hun neus dicht alsof we stonken. Atorro deed niets, hij lag met zijn hoofd op zijn armen op zijn schoolbank en sliep. De lessen duurden van ’s ochtends vroeg tot na het avondeten. De eerste dagen was ik compleet verrast door het gedrag van Atorro. Hij deed of hij ons niet kende en probeerde tijdens de lessen zoveel mogelijk te slapen. Dat irriteerde onze docenten mateloos, maar zij durfden er niets van te zeggen. Ook de andere kinderen negeerden de docenten, waardoor naarmate het jaar vorderde, onze leraren zich steeds meer op ons richten. Want wij waren sponsen en zogen alle kennis op.

Het enige moment waar Atorro actief was, was tijdens de sportlessen. Dan versloeg hij iedereen. De trainers, de meesten waren soldaten die te oud waren voor actieve dienst, waren de enigen die hem dan ook met respect benaderden.

De avond van de zesde schooldag spraken we voor het eerst weer af buiten de Burcht. Toen Atorro ons zag, omarmde hij mij en Padme en gaf Juka een hand. Uit alles bleek dat hij blij was om ons te zien, het leek net alsof hij ons de hele week niet gezien had. Toen ik ernaar vroeg legde hij het me uit.

‘Wil ik overleven, moet ik doen alsof ik gek ben. Willen jullie het overleven, dan mag geen mens weten dat we vrienden zijn. Verder moet ik ’s nachts studeren, dus ik ben echt moe ’s ochtends. Maar laat ons nu pret maken.’

En dat deden we.

De maanden daarop regen de dagen zich aaneen in hetzelfde ritme: zes dagen naar school, één dag thuis, die opging aan huishoudelijke klussen, en twee avonden kattenkwaad uithalen in de stad. De andere avonden hadden we daar geen tijd voor, ik was gewoon doodop.

Na twee maanden vertelde Atorro ons over Silaäs. Meer dan een jaar geleden was een man opgedoken en die was hem gaan onderwijzen. Hij vertelde het terwijl we verdekt in een steegje gestolen appels opaten en keken naar de groenteboer die onderdanig boog voor een rijke burger en zich liet uitschelden. ‘Zodra ik koning ben,’ zei Atorro vlak nadat hij over Silaäs had verteld, ‘dan gaat hij er als tweede aan gaan. Silaäs zegt wel dat ik moet vergeven, maar dat zal ik nooit. Zij, zij geven de magistraten macht, en ooit zullen die burgers daarvoor boeten.’

Daarna beschreef hij hoe hij Silaäs had ontmoet. Meer dan een jaar geleden was deze plotseling opgedoken in zijn kamer. ‘Ook hij kende de geheime gangen’, zei Atorro.  ‘Hij komt uit de Oude wereld, uit Anthune. Hij is een priester uit Dargor en is door zijn orde naar mij toe gestuurd om mij te onderwijzen.’

Ik vroeg toen niet door, was meer geïnteresseerd in een mooi meisje dat door de straat liep en wees daar Atorro op. Hij reageerde er amper op.

Langzamerhand kreeg ik een beeld van het complexe leven dat Atorro leefde. Hij was de kroonprins, maar allerminst geliefd. De enige keren dat hij als prins getolereerd werd, was als hij bij officiële plechtigheden moest opdraven. Dan zat hij naast zijn vader, een kleine bleke jongen met blonde haren en priemende ogen die onrustig heen en weer schoten. Maar hij zei nooit wat. Die keer dat hij ons rekruteerde voor zijn school, was echt een uitzondering. Buiten die gelegenheden werd hij door iedereen in de Burcht in het beste geval genegeerd en in het slechtste geval mishandeld. Meestal werd hij genegeerd. Dat ik dat niet eerder opgemerkt had, kwam natuurlijk omdat het zo anders was dan ik verwacht had. Mijn beeld van de Koninklijke familie was dat ze enorm bevoorrecht waren, geboren met een gouden lepel in de mond, zoals mijn moeder altijd zei. Juist omdat het verschil zo groot was, zag ik het in eerste instantie niet. Ik wilde het gewoon niet zien.

Daarna duurde het nog lang voordat ik het begreep. Toen de waarheid tot mij doordrong, werd ik misselijk van de kwaadaardigheid die daarachter stak. Atorro werd niet gehaat omdat hij het verdiende of uit willekeur, maar met een vooropgezet plan. En daarom, daarom heb ik hem al zijn fouten altijd vergeven. Altijd!

In die tijd was je overgrootvader koning, koning Elasser de zeventiende. Maar iedereen in de Burcht wist dat hij geen macht had. Hij danste volledig naar de pijpen van de magistraten. Als die zeiden dat hij linksaf moest, ging hij linksaf, als ze zeiden dat hij een doodsvonnis moest tekenen, dan deed hij dat. De enige reden dat de magistraten hem tolereerden was dat door zijn aderen het bloed van Bodo vloeide. Hij was de enige rechtstreekse afstammeling van de grootste held van Ustahs en Anthune. Het volk zou nooit accepteren dat hij aan de kant geschoven werd. Want Bodo was heilig en dus was Elasser dat ook, net als zijn zoon. Maar om die zoon later net zo’n willoos werktuig in hun handen te laten zijn, moest hij gebroken worden. Er mocht geen persoonlijkheid meer overblijven. Maar hij moest wel blijven leven. Voor de magistraten was Atorro geen mens. Voor de magistraten was Atorro een middel om hun levenstandaard tot in de volgende generaties voort te zetten.

Zo is je grootvader opgevoed. Alle liefde werd hem onthouden, alles werd in het werk gesteld om van hem net zo’n willoos werktuig te maken als zijn vader was. Het enige dat hij later zou moeten doen is één of liefst twee kinderen voortbrengen. Kinderen die op hun beurt weer gekraakt zouden worden. Meer hoefde hij niet te doen.

En het zou ze ook wel gelukt zijn, uiteindelijk. Als Silaäs er niet was geweest. En wij. Maar Silaäs en wij waren er wel. En er was een nog belangrijker factor en dat was Atorro zelf. Hij was sterk, anders was hij al lang voor onze komst gebroken. En dat voelden die heren. Daarom verafschuwden de magistraten hem nog meer dan dat zij zijn vader haatten. En daarom liet zijn vader hem nog meer in de steek dan dat hij misschien anders gedaan zou hebben. Want ook hij voelde zijn kracht, ook hij was bang voor zijn zoon.

Zo zag je grootvaders leven er dus uit: ’s ochtends ontbeet hij alleen. Daarna ging hij naar school, waar hij de hele ochtend sliep of deed alsof hij sliep. ’s Middags was hij wat actiever en gaf hij de indruk dat hij wat probeerde op te steken van zijn docenten. Alleen aan het eind van de middag was hij fanatiek. Dan trainde hij actief met de instructeurs in de sporthal. Zwaardvechten, worstelen, boog schieten, het was hem om het even, hij deed volop mee. En ’s avonds, alleen op zijn kamer, kwam zijn echte leermeester bij hem en leerde hem alles wat hij weten moest. Zo leefde hij twee levens, soms drie als hij als kroonprins moest opdraven. Geen wonder dat hij zich daarvoor zo veel mogelijk probeerde te drukken.

In zijn leven hebben zich twee wonderen voorgedaan, vertelde hij mij eens. De eerste keer was dat ik opdook en een vaas omgooide, het tweede wonder was dat, toen hij op een avond zichzelf in slaap probeerde te huilen, in zijn kamer een geheim paneel open schoof en Silaäs zich bekend maakte.

Waarom Silaäs op dat moment opdook, hebben we later kunnen achterhalen. Toen had Atorro echter geen idee, hij accepteerde het slechts dankbaar. Dat de man de weg in geheime gangen kende, was geen reden voor argwaan. Silaäs toonde belangstelling voor de jongen, warme oprechte interesse, die al snel overging in liefde. Zoals een vader van zijn zoon houdt. Atorro, die dat tot dan zo gemist had, absorbeerde het als een spons. Daar paste geen achterdocht bij. Eindelijk had hij het gevoel dat er mensen waren die om hem gaven. Wij, zijn vrienden, en Silaäs, zijn geestelijke vader.

Als de andere mensen echt op Atorro hadden gelet, hadden zij de ontwikkeling kunnen zien die hij doormaakte. Dan hadden zij kunnen zien dat hij veranderde van een nukkig, wanhopig, éénkennig kind dat in zijn wanhoop en angst zich gedroeg als een schurftige hond die elk moment een klap verwachtte, naar een kind dat doelgericht handelde. Wie weet sloeg hij in een keer de fase van tiener over en werd hij ineens volwassen.

Maar niemand lette op hem, niemand zag hem zoals ik hem zag. Op school werd hij gepest, hij droeg het lijdzaam, maar soms, heel soms keek hij even zijn kwelgeest aan op een manier dat ik er koud van werd. Dan zag ik dat hij de situatie in zich opzoog, zich voornam om dit nooit te vergeten en om ooit, ooit zijn gram te halen. Ik besefte dat ik nooit zou willen dat Atorro mij zo zou haten, want ik wist toen al dat zijn wraak verschrikkelijk zou zijn. Maar zijn belagers zagen dit niet, zij zagen slechts een kind, klein voor zijn leeftijd, een sul, waar je alleen voor moest oppassen tijdens de trainingen in de sporthal. Maar verder was hij in alles hun mindere, ook al was zijn vader de koning.

En je overgrootvader verspilde bij de bewoners van de Burcht in die jaren het laatste respect dat hij nog zou kunnen hebben op grond van zijn afkomst. Hij was bang voor de magistraten, hij vreesde Pinas om zijn wreedheid. Je kan het je misschien niet voorstellen omdat je nu ziet hoe de mensen met je grootvader omgaan, maar toen was het heel anders.

Atorro vertelde me ooit een verhaal. Eén keer dacht even dat hij toch nog trots op zijn vader zou kunnen worden, want zijn vader had Pinas ontboden omdat een kind was doodgereden door een koetsier. Bij toeval had hij daarvan gehoord, mogelijk omdat het het dochtertje was van één van de bedienden uit de Burcht. Hij ontbood de raadsheer en Pinas moest komen, omdat het openlijk niet nakomen van een bevel van de koning toch gedoe zou geven. Maar hij was duidelijk geïrriteerd, ook omdat de oprisping van daadkracht van de koning de magistraten duidelijk maakte dat Pinas hem nog niet volledig onder controle had.

‘Pinas,’ had de koning gezegd, ‘ik hoor dat een kind is doodgereden. Zoek uit wie dat op zijn geweten heeft en straf hem. Dit geeft alleen maar onrust onder het volk.’ De koning keek daarbij trots de zaal door.

‘Natuurlijk Sire,’ zei Pinas, ‘ik zal er meteen werk van maken,’ waarna hij een lakei tot zich riep en hem iets in het oor fluisterde. Niet lang daarna kwam een andere bode met een document dat hij Pinas overhandigde. Die las het en liep daarna naar de koning.

‘Sire,’ zei hij, het kind is doodgereden door één van de bevoorradingswagens van de Burcht die gistermiddag hier wijn moest afleveren. Maar de koetsier zei dat hij daar niets aan kon doen, omdat hij de opdracht had gekregen dit met de hoogste spoed te doen. Geen enkel oponthoud zou worden gedoogd. Zal ik de koetsier straffen door hem op te hangen, of moet ik zijn opdrachtgever achterhalen en die straffen?’

De koning werd bleek en zakte op de grote troon die in het midden van de raadszaal stond. ‘Laat maar, zei hij na een tijdje. ‘Het is ook wel goed zo, dit zal de kinderen en hun ouders leren beter op te letten.’

Niemand zei er nog wat over, maar iedereen stond nog duidelijk voor ogen hoe de koning gistermiddag op hoge toon had geëist dat er meteen wijn bezorgd moest worden en dat hij geen enkel oponthoud zou billijken.

Wat Atorro bovenal razend maakte was dat zijn vader niet eens controleerde of het verhaal van Pinas waar was. Had hij dat namelijk wel gedaan, dan had hij eenvoudig kunnen achterhalen dat het meisje niet was doodgereden door een bevoorradingswagen, maar door een van de magistraten die zijn koetsier had bevolen met volle vaart door de straten te rijden. Nee, je overgrootvader kon op geen enkel respect rekenen, niet op het respect van het volk, niet op dat van de hovelingen, de magistraten of Pinas, noch op het respect van zijn enig kind of zijn echtgenote. Iedereen verachtte hem, en dat was terecht.

Silaäs

… binnenkomen.

Ik heb contact gelegd met de prins. Het is een aardige jongen, maar dom. Het kennismaken was bijzonder eenvoudig. Dankzij de oude plattegronden die buitengewoon accuraat bleken te zijn, kon ik eenvoudig de Burcht binnendringen. Bijzonder om te zien hoe onbewust de inwoners van de Burcht zijn van hun eigen kwetsbaarheid.

Zoals al benoemd, de prins lijkt niet bijzonder intelligent te zijn. Wat ik vertel komt niet bij hem binnen, misschien het gevolg van het alcoholmisbruik van zijn vader en de gebrekkige intelligentie van zijn moeder. Echt een hopeloos stel die twee.

De lessen die deze jongen krijgt zijn als paarlen voor de zwijnen. Hij neemt niets op. Wat zijn docenten hem overdag ook vertellen, hij negeert het en ligt tijdens de lessen alleen maar te slapen. En ’s avonds, als ik hem probeer te onderwijzen over zijn en onze grootse geschiedenis, kijkt hij vooral naar de muur achter mij. Alleen tijdens fysieke inspanning, de sport en gevechtstraining aan het eind van de middag van zijn lesdagen lijkt hij te ontwaken. Dan slaat hij iedereen verrot.

Maar verder is hij een hopeloos geval. Hij heeft geen enkele aansluiting met zijn klasgenoten, zowel de kinderen van de bestuurlijke elite als met enkele kinderen uit de stad, die als proef zijn binnengehaald om hem nog enigszins te prikkelen.

Daarbij komt nog …

Uit: ‘rapportage Silaäs aan de prior’

In het jaar dat Atorro zestien zou worden, verwekte zijn vader bij één van zijn maîtresses een kind, een jongetje. Dat zijn vader vriendinnen had, wist Atorro, daar werd aan het hof openlijk over gesproken. Dit was al jaren zo. Ook je overgrootmoeder was hiervan op de hoogte. Zij was er alleen maar blij om, het bespaarde haar slechts allerlei viezigheid zoals ze ooit, in één van de spaarzame momenten dat ze naar haar zoon omzag, tegen hem zei. Omdat de koning geen andere nakomelingen verwekte, was haar positie onaantastbaar: zij was immers de moeder van de troonopvolger, Atorro, die de enige kroonprins zou blijven, omdat andere kinderen van de vorst steevast ernstig gehandicapt en niet levensvatbaar geboren werden.

Dat de koning na zestien jaar weer een kind verwekt had, een kind dat zelfs in leven bleef, was al dagen het gesprek van de dag. De moeder, een dochter van een lakei, werd met alle egards behandeld en de koning zelf leek in de zevende hemel. Aan het vaderschap van de koning hoefde niet getwijfeld te worden, want de baby had dezelfde blonde haren als de koning vroeger zelf had. En iedereen die de kroonprins als baby gekend had, zei dat de nieuwe prins sprekend op de kroonprins leek. Het woord ‘kroonprins’ werd echter op zo’n toon uitgesproken, dat Atorro ook begreep dat dat woord een andere waarde gekregen had.

Atorro’s moeder veranderende door deze gebeurtenis in een zenuwachtig wrak. Ze liep handenwringend door haar vertrekken en schreeuwde naar Atorro, die zij ontboden had, dat hij wat moest doen. Zijn vader zou haar immers nu verstoten en ook hij zou zijn leven niet meer zeker zijn.

Atorro keek haar aan en zei toen dat zijn vader haar allang verstoten zou hebben als hij gewild had, maar dat hij haar tolereerde omdat een echtgenote, die liever tuinierde en roddelde met de hofdames, veel comfortabeler was dan een vrouw die eisen stelde. Zij hoefde zich dus geen zorgen te maken. De enige die dat moest was hijzelf.

Zijn moeder keek hem verbaasd aan, niet alleen omdat hij meer dan drie woorden achter elkaar had gezegd, maar vooral om wat hij zei. Ze liet zijn woorden tot zich doordringen en, al had Atorro niet anders verwacht, toch kwetste het hem dat ze opgelucht leek.

Dat hij het bij het rechte eind had, werd hem duidelijk toen Silaäs verdween. In de nu ruim zes jaar dat Silaäs zijn leermeester was, ging hij ieder halfjaar een paar dagen naar Dargor. Al met al was dat steeds een afwezigheid van een maand, dagen die voor Atorro eindeloos leken te duren. Er was dan niemand die hij zijn vragen stellen kon, die hem geruststelde of hem troostte. Natuurlijk hij had mij en zijn andere vrienden, maar dat was toch anders. Silaäs was de rots waarop hij bouwde. Toen hij dan ook verdween zonder het aan te kondigden voelde Atorro zich onthand. Hij vroeg zich meteen af of het toeval was dat Silaäs uitgerekend verdween op het moment dat zijn vader een tweede zoon had verwekt.

Toen Silaäs ook de dag daarop niet opdook, besloot hij op onderzoek uit te gaan. Geheel tegen zijn gewoonte in ging hij overdag via de geheime gang de stad in, op zoek naar mij. Ik was niet in de straat te vinden, maar hij liet een bericht bij Alja, Juka’s oudere zus, achter. Daarna ging hij weer snel de Burcht in, maakte ruzie met zijn docenten, wat voor hem weer een excuus was om zich boos op zijn kamer op te sluiten. Een daar wachtte hij ongeduldig op mij.

Toen ik, naar zijn gevoel na een eeuwigheid, eindelijk bij hem kwam, had bij Atorro het idee postgevat dat zowel hij als Silaäs in groot gevaar waren. Hij stuurde mij daarom naar het logement waar Silaäs al jaren woonde. Het stond in de armenbuurt, waar de priester had verteld dat hij leefde van een kleine erfenis en, vanwege een vete met zijn familie, zich in Vaudan had teruggetrokken. Doordat hij over genoeg geld beschikte, werden hem geen lastige vragen gesteld. En omdat hij voor zijn huisbaas zo langzamerhand de voornaamste bron van inkomsten was, deed die wat in zijn vermogen lag om te zorgen dat Silaäs niets overkwam.

Toen ik het logement binnenliep en naar de priester wilde vragen, zag ik dat de logementhouder onder de blauwe plekken zat en zijn arm in een mitella droeg. Zonder na te denken, draaide ik mij om en rende weer naar buiten. Dat was zo onverwacht dat ik onder de armen van de soldaten die zich binnen de herberg ophielden, door kon duiken en weer de straat op kon rennen. Die deden nog een poging om mij in te halen, maar ze maakten geen kans tegen mij en staakten daarom alweer snel de achtervolging.

Ik rende naar Juka en vroeg hem uit te zoeken wat er aan de hand was, zelf durfde ik de straat waar Silaäs gewoond had niet meer in. Buiten adem kwam ik daarna weer bij Atorro en deed hem verslag van mijn belevenissen.

‘Die soldaten, hebben die je herkend?’ vroeg Atorro.

‘Waar zouden zij mij van moeten kennen?

‘Ze kunnen gewoon weten waar je woont. Verder kom je al jaren op de school in de Burcht. Daar komen ook de kinderen van de soldaten en ambtenaren. Het kan zijn dat je bij één van hun kinderen in de klas zit. Wees in ieder geval voorzichtig, ’t is pas weer veilig als we weten wat er aan de hand is.

Wat er die dag verder is gebeurd, heeft je grootvader alleen verteld tijdens zijn koortsdromen. Daarna heeft hij het er nooit meer over gehad. Hij weet zelf niet wat hij verteld heeft, maar ik denk dat hij toen meer verteld heeft dan hij had gewild. Ik zag en hoorde toen hoe bang hij was. En ik leed met hem mee, want het verhaal dat hij toen in flarden vertelde was verschrikkelijk. De rest hoorde ik van Alja die toen al in het paleis diende.  Bedenk wel, hij was toen vijftien, ik was zestien en Juka negentien en Alja was twintig.

Omdat Atorro niet wist waar Silaäs was, ging hij uiteindelijk het paleis in. Hij snapte niet waar Silaäs was gebleven. Als hij onverwacht naar Dargor was teruggeroepen, dan zou hij eerst afscheid hebben genomen of in ieder geval een briefje hebben achtergelaten. Nu was er niets. De gedachte dat hij mogelijk niet meer interessant was voor de machthebbers in Dargor omdat zijn vader een tweede zoon op de wereld had gezet, kwam bij hem op. Het kwetste hem en maakte hem onzeker.

Hij liep zijn kamer uit op weg naar de trainingszalen. Daar waren de mensen die hij nog enigszins vertrouwen kon. Maar buiten de gewone roddel had men hem daar niets nieuws te vertellen. Hij besloot daarom naar zijn vader te gaan, hij moest hem sowieso nog feliciteren met de geboorte van diens zoon, zijn halfbroer.

‘Atorro, prins van Ustahs,’ riep de bediende, toen Atorro de raadszaal binnen liep.

Atorro deed net of hij niet hoorde dat hij verkeerd werd aangekondigd en niet zag dat zijn vader daarom moest glimlachen. Hij boog het hoofd toen hij zijn vader groette.

‘Zoon, kom je nu pas eer bewijzen aan je broer?’

‘Ik was onwel, vader, en heb altijd begrepen dat je dan verre moet blijven van kleine kinderen.’

Koning Elasser leek even te overwegen of hij zijn oudste zoon zou geloven tot een bediende hem wat in het oor fluisterde.

‘Een bijzonder ziekte, als je wel zoals altijd kan slapen in de schoolbanken’.

Atorro besloot het te negeren en reageerde niet op de woorden van zijn vader. Hij liep naar een tafel in de hoek van de raadszaal en ging daar bij een paar raadslieden staan. Omdat hij niets zei en de koning ook geen initiatieven nam, besloten die de kroonprins ook maar te negeren. Ze gingen verder met het gesprek dat ze voerden over de teruglopende handel met Anthune en de steeds hoger wordende prijzen van het eten en drinken.

Plotsklaps werd de deur opengesmeten en liep Pinas de raadszaal binnen.

‘Sire,’ riep hij, ‘koning Elasser, ik vraag dringend uw aandacht voor een zeer ernstige zaak. Gisteren hebben we een man gearresteerd die probeerde de Burcht binnen te dringen. Een onbekende man, afkomstig uit Dargor. Mogelijk een huurmoordenaar om de jongste troonpretendent uit de weg te ruimen. Gelukkig hebben we dat kunnen voorkomen.’

Een geschrokken gemompel klonk. De koning leek oprecht verbijsterd. ‘Onmogelijk,’ zei hij na een tijdje. Ik ben een geliefd vorst, wie zou mij of mijn kinderen wat aan willen doen.’ Elasser keek daarbij onzeker de zaal rond, als was het alsof hij de aanwezigen om bevestiging smeekte. Alsof hij wilde horen dat hij door zijn onderdanen op handen gedrag werd en er geen vrees en woede heerste onder de Ustahshi die allen leden onder de uitbuiting van de leidende klassen, de machthebbers waarvan hij voor het gepeupel de personificatie was. Zijn blik bleef rusten op Pinas die schuin voor hem stond en als vanzelf keek hij in de richting waar ook Pinas naar keek. Alle aanwezigen volgden zijn voorbeeld.

Toen pas besefte Atorro dat ze hem aankeken. Hij zag in hun ogen de beschuldiging dat hij de tweede zoon van de koning, zijn halfbroer, uit de weg had willen ruimen. Of ze dat echt dachten, of dat ze slechts Pinas wilden laten zien dat ze hem steunden, was voor hem onduidelijk. Wat hij wel zag is dat hij van de aanwezigen geen enkele steun kon verwachten. De raadsheren, lakeien en zelfs zijn vader keken hem aan alsof hij een schurftige hond was, een beest dat ze in ieder geval wilden wegjagen. En misschien erger.

‘Vader, dit is …,’ begon Atorro, maar hij werd ruw onderbroken.

‘Wel, het onderkruipsel kan praten,’ schreeuwde Pinas. ‘Dat had je eerder moeten doen. Laat dan eens horen wat je hierop te vertellen hebt.’ Hij klapte in de handen, waarna de deur weer openging.

Zes soldaten van de Koninklijke Garde kwamen binnen. Twee van hen sleepten een gevangene mee die blijkbaar zo verzwakt dat hij niet meer op de eigen benen kon staan. Ze liepen door tot in het midden van de raadszaal en lieten de gevangene toen los. De man viel op de grond.

De man kreunde en zei iets, maar dat was niet verstaanbaar. Zijn gezicht zat onder de bloeduitstortingen en zijn kaak leek gebroken. De man probeerde overeind te krabbelen, maar miste de kracht. Zij handen probeerden steun te zoeken op de gladde marmeren vloer, en lieten daarbij bloederige strepen achter.

Tot zijn afschuw zag Atorro dat Silaäs, want hij was degene die binnen was gebracht, aan beide handen een vinger miste. Hij moest zich inhouden om niet naar de ongelukkige te lopen en hem te helpen.

‘Deze man is betrapt toen hij de Burcht wilde binnendringen. Hij kende blijkbaar geheime gangen, want hij werd betrapt in een verborgen gang, die pas enkele dagen daarvoor bij toeval door ons was ontdekt. Onderzoek toonde aan dat hij uit Dargor komt, waar hij ook al gezocht wordt voor samenzwering. Hij heeft niet gezegd naar wie hij op weg was, maar ik kan bewijzen dat hij op zoek was naar uw zoon, Sire. Naar Atorro, uw oudste zoon en voormalig kroonprins.‘

Atorro voelde de grond onder zijn voeten wegzakken, hij wist dat er wat ergs te gebeuren stond. Machteloos keek hij naar de gewonde priester die voor hem op de grond lag. Hij wist niet wat hij moest doen. Hij had niet in de gaten dat achter hem twee leden van de Garde waren gaan staan.

‘Pinas, dat is een ernstige beschuldiging. Kom op met dat bewijs!’ zei Atorro’s vader. ‘Hij is wel mijn zoon.’

Atorro merkte ondanks alles op dat zijn vader probeerde autoriteit uit te stralen, maar daarin jammerlijk faalde doordat het zweet duidelijk zichtbaar van zijn voorhoofd parelde. Een duidelijker teken van besluiteloosheid en machteloosheid had hij niet kunnen geven.

Pinas knikte naar Zaruban, zijn eerste man en uitvoerder van diens duistere zaakjes. Hij pakte zijn rapier, bukte zich en stak de korte degen vervolgens in de buik van de gewonde man. Die gaf een schreeuw van pijn, waarna Zaruban enkele stappen naar achteren deed.

Atorro kon zich niet mee inhouden, rende op de gewonde man toe, viel op de knieën en sloeg zijn armen om de man heen. ‘Meester,’ zei hij, ‘meester.‘

Silaäs keek hem aan en probeerde nog wat te zeggen, maar dat lukte niet. Er kwam slechts wat bloed uit zijn mond. Atorro vergat alles om zich heen, omarmde de stervende man en huilde. Ze bleven elkaar aankijken, totdat Atorro door de lijfwachten van de stervende man werd weggetrokken. Hij verzette zich daarbij hevig, maar had geen schijn van kans tegen deze getrainde soldaten. In de houdgreep gehouden, werd hij voor de koning gebracht. Pinas stond naast hem en glimlachte.

‘Sire, heb ik meer bewijs nodig?’

Vol afschuw keer Elasser zijn zoon aan. ‘Atorro, ik ken je niet langer.’

‘Voer hem weg,’ riep Pinas, ‘en ruim hem daar op,’ waarbij hij op de stervende Silaäs wees.

Versuft liet Atorro zich meevoeren. Vlak voordat hij de raadszaal uitliep, probeerde hij nog éénmaal een glimp op te vangen van Silaäs, maar hij zag hem niet omdat omstanders tussen hem en Silaäs in stonden. Daardoor kon hij niet zien of Silaäs nog leefde of al dood was. Wel zag hij zijn vader die hem lijkbleek nastaarde.

Atorro werd voortgesleept door de gangen. Hij lette niet op waar hij ging. Het verdriet om Silaäs was te groot om andere emoties of pijn te voelen, om na te denken of te letten op wat er om hem heen gebeurde. Opeens stonden de mannen stil, openden een deur en smeten hem naar binnen. Daarna liepen ook zij naar binnen en gaven hem de grootste afranseling van zijn leven. Hij voelde een vinger breken toen een van de soldaten op zijn hand stapte en tijdens de vele schoppen hoorde hij een rib kraken. Hij probeerde de pijn te verbijten, maar ze was te hevig. Tenslotte gilde hij het uit. Maar niet alleen vanwege de pijn, ook uit woede en verdriet om de dood van Silaäs deed hem schreeuwen.

Uiteindelijk stopten de mannen de ranselpartij. De aanvoerder keek hem tevreden aan en zei: ‘zo dat ziet er stuk beter uit, niemand zal nu nog de prins in je herkennen.’ Toen tot zijn mannen: ‘goed gedaan zo, Pinas zal jullie belonen. Mooi dat zijn gezicht nog heel is, dat staat veel beter bij zijn executie. Anders zullen mensen nog denken dat hij mishandeld is.’ Hij lachte, liep op Atorro toe die op de grond lag en trapte hem nog eens hard op de hand. Opnieuw brak een vinger.

‘Ik wil een dubbele wacht, twee voor de deur, maar ook twee in de cel. Wie weet heeft hij nog vrienden die wat proberen. Wees bedacht op alles, zoals ik het nu kan zien is de Burcht gatenkaas. Overal blijken verborgen gangen te zijn. We moeten dat nog goed uitzoeken, nu wil ik echter geen enkel risico nemen. Onderschat hem niet, dat hebben we allemaal blijkbaar veel te lang gedaan.’ Hij draaide zich om en liep weg zonder zijn mannen verder een blik waardig te keuren of na te gaan of ze zijn opdracht wel zouden uitvoeren. Hij wist dat ze dat zouden doen.

Aan het eind van de middag kwam een bediende brood en drinken brengen. De wachters verwelkomden het met gejuich. ‘Gelukkig, Alja is ons niet vergeten,’ riep de kleinste van de wachters. Hij greep de dienstbode, die weg wilde lopen, beet. ‘Hier blijven, jij. Volgens mij gaan wij na het eten nog wat leuks doen.’

De jonge vrouw keek hem geringschattend aan. ‘Als jij het betalen kan, is dat geen enkel probleem, krijger. Maar zo niet, dan gaat het niet door, tenzij je opengekrabde wangen wil riskeren.‘

‘Maak je maar geen zorgen, meisje. Ik heb gisteren gewonnen met kaarten.’ De man rammelde met zijn beurs terwijl hij dat zei.

‘In dat geval,’ glimlachte Alja, ‘wil ik best heel lief zijn.’

Het eten werd verdeeld, waarna de helft in de cel werd gezet. Geheel volgens de voorschriften werd daarna de deur weer gesloten. De wachters vielen op het eten aan. Vlak daarop grepen ze beiden naar hun buik en kreunden. Woedend probeerde één van de twee Juka’s zus nog te pakken, maar dat lukte niet. Wankelend sloeg hij tegen de grond terwijl schuim op zijn mond kwam. Hij kronkelde van de pijn. Ook uit de cel kwamen kreten van pijn.

‘Je hebt ons vergiftigd,’ kreunde de kleinste van de wachters, terwijl hij over de grond rolde van de pijn.

‘Ja,’ zei Alja, ‘en normaal zou ik je nu ook afmaken, maar ik wacht liever. Dit is namelijk veel pijnlijker.’ Maar omdat de stervende mannen zo’n lawaai maakten, sneed ze beide mannen toch met een soepele beweging de hals door.

In een donker gedeelte van de gang schoof een stuk muur weg en kwamen Juka en ik tevoorschijn. We openden de cel en kwamen even later met Atorro naar buiten. De bewakers in de cel waren al dood. Je grootvader moest ondersteund worden. Eenmaal buiten de cel lieten we hem tegen de muur leunen, sleepten we de lijken de cel in en sloten vervolgens de deur zorgvuldig. De sleutel, die we van één van de wachters hadden afgepakt, namen we mee.

‘Kom, Alja, we gaan,’ riep Juka naar zijn zus. Die zat nog bleek op de grond. Juka liep op haar toe en trok haar overeind. ‘Kom zusje, ’t is goed zo, het was hen of Atorro, je hebt het goed gedaan.’ We verdwenen in de geheime gangen, waar ik als geen andere de weg kende.

Toen Pinas de vlucht ontdekte, werd hij, hoorden we later, razend. Hij liet Vaudan hermetisch afsluiten en doorzoeken, Ook kamden ze de geheime gangen uit voor zover ze die kenden. Omdat wij Vaudan echter meteen hadden verlaten, werden wij niet gevonden. Pinas besloot de vlucht te verzwijgen. En niemand deed navraag naar het lot van Atorro, zelfs zijn vader of moeder niet. ‘En eigenlijk maakt het ook niet uit,’ moet Pinas na enkele dagen gedacht hebben: ‘hij is weg en komt nooit meer terug. En al zou hij dat wel doen, dan nog is hij kansloos, want vanaf nu twijfelt niemand meer aan zijn schuld.’

Bloedbroeders

… bezigheden.

Ik werk nu bijna zes jaar met deze jongen, maar van enige vooruitgang is geen sprake. Intellectueel gesproken dan. Hij toont geen enkele interesse in de stof die door zijn docenten en mij wordt aangeboden. Reflecteren, analyseren, discussiëren, het is aan hem niet besteed. Het enige waar hij warm voor te krijgen is, is vechten. Hij is van normaal postuur, maar desondanks slaat hij medestudenten die ouder en groter zijn dan hij buiten bewustzijn en met pijl en boog is hij een scherpschutter. In gevechten toont hij strategisch inzicht, maar sociaal is hij onderontwikkeld. Het personeel in de Burcht haat hem, de elite heeft geen enkele affiniteit met hem, zijn leeftijdsgenoten negeren hem.

Maar hij is verre te verkiezen boven zijn stiefbroer die totaal achterlijk lijkt te zijn. Daarom adviseer ik om de kroonprins te blijven ondersteunen. Staatsrechtelijke is dat ook de juiste keuze, immers hij is de oudste nazaat van de koning en de enige die in een legitieme relatie is verwekt. Maar …

Uit: ‘laatste rapportage Silaäs aan de prior’

Atorro kon amper lopen. Een eerste onderzoek maakte duidelijke dat hij niet één maar meerdere ribben en vingers gebroken had. Verder zat hij onder de kneuzingen van de ranselpartijen die hij had ondergaan. Eigenlijk was zijn gezicht zijn enige onbeschadigde lichaamsdeel.

We brachten hem naar Juka’s kamer, een afgescheiden deel van een schuur van de koopman die hem ooit verwekt had bij een van zijn diensters. Zijn moeder was allang dood, maar om een of andere reden had zijn vader hem en zijn zus nooit weggejaagd. Hij leefde in de schaduw van diens gezin, misschien werd hij door zijn verwekker achter de hand gehouden voor het geval dat hij ooit nog eens van pas zou komen. Juka had geen idee.

‘Hier kunnen we niet blijven,’ steunde Atorro. ‘Zodra ze mijn vlucht ontdekken zullen ze de stad uitkammen. Ze zullen nagaan met wie ik ooit gezien ben en ook hier terecht komen. We moeten meteen verder.’

Wij protesteerden, maar Atorro zette door. Hij trok met veel moeite kleren van Alja aan en stopte een kussen onder zijn jurk waardoor hij hoogzwanger leek. ‘Dat verklaart waarom ik wat moeilijk loop,’ fluisterde hij toen ik hem vragend aankeek.

Twee aan twee liepen we de poort uit, een zwangere dienster met haar zusje terug naar het veilige platteland en een tijdje later twee jongens. We vielen bij geen van de wachters op. Eénmaal buien het zicht van de poort wachtten Atorro en Alja ons op.

‘Wat nu,’ vroeg Juka toen we weer verenigd waren.

‘In ieder geval geen vlucht,’ fluisterde Atorro die bleek zag. ‘Geen vlucht, dan pakken ze ons meteen. Nee, we gaan hergroeperen. Laten we naar de bergen gaan en daar in de dalen bij één van de dorpen een plek zoeken in een schaapskooi. Daar kan ik op krachten komen.’

Het lukte al was het met moeite. Uiteindelijk vonden we een veilige plek in het tweede dorp buiten Vaudan. Maar ook al zou het niet veilig zijn geweest, dan nog zouden we niet verder hebben gekund. Op de zolder van de stal zakte Atorro ineen en raakte buiten kennis tot de volgende dag. Toen hij bij kwam, gloeide hij van de koorts. Hij overleefde het alleen dankzij onze goede zorgen.

Juka en ik zorgden voor eten. Met onze jarenlange ervaring opgedaan in Vaudan was dat voor ons geen enkel probleem. En omdat de herders met hun schapen in dit jaargetij buiten op het veld waren, bleven we onopgemerkt voor de dorpelingen. Vier dagen later kon Atorro weer lopen, al deed het hem nog zeer. Acht dagen later hielden we krijgsraad.

‘Vlak na je ontsnapping,’ vertelde Juka, ‘heeft Pinas de poorten laten bewaken en de stad laten uitkammen. Er zijn zelfs soldaten uitgezonden om je te vinden, maar die hebben niet heel erg hun best gedaan. Gisteren is de wacht zelfs weer teruggebracht tot normaal niveau. Over Silaäs is niets gezegd. Iedereen lijkt de priester alweer vergeten. Morgen wordt je broertje voorgesteld in de tempel. Alle belangrijke mensen uit de Burcht en zelfs een afvaardiging uit Anthune zullen erbij zijn. Wij zijn veilig.’

‘Veilig ben ik niet, veilig ben ik pas als …’ Atorro zweeg en staarde somber voor zich uit. ‘Totdat ik dood ben, zal de geheime dienst naar me uitkijken. Ze hebben geduld. Ze weten dat als ik nog leef, ik ooit weer zal opduiken. En dan zullen ze me in de kraag pakken en me ergens achteraf een mes tussen de ribben steken. Nee, de enige reden dat ze me nu toch niet uitgebreid zoeken, is dat ze met al die buitenlandse gasten geen zin hebben om de aandacht op mij te vestigen en omdat ze denken dat ik vroeg of laat toch wel tegen de lamp zal lopen. Ze onderschatten me nog steeds,’ liet hij er nog op volgen. ‘En dat is mooi.’

‘Wat nu?’ vroeg ik.

‘Het liefst zou ik Pinas levend laten villen, m’n vader van de muur gooien en mijn moeder de rest van haar leven aan het werk zetten in de keuken van de Burcht,’ zei Atorro bitter.

Alja keek hem geschokt aan, zoiets had ze Atorro nog nooit horen zeggen.

‘Misschien over een maand’, mompelde Juka, ‘dan zal het lukken, nu nog niet.’

‘Je hebt gelijk, vriend, nu nog niet. Maar ooit zal het lukken, dat zweer ik je.’

We zwegen.

‘Ik wil naar Anthune, eerst even buiten beeld raken. Misschien kan ik daar hulp verwachten. Ate, jij gaat met mij mee. Juka en Alja, jullie gaan weer terug. Juka, neem dienst in het leger en jij Alja, zorg dat jij je baan houdt aan het hof. Regel daar ook een baan voor Padme. Ik heb jullie daar nodig, want aan het hof zullen jullie dingen horen. Kom nu hier.’

We kwamen bij elkaar. Atorro pakte een mes en maakte zonder met zijn ogen te knipperen een snee in zijn linker duim. Druppels bloed vielen op de grond. Ik pakte het mes over en volgde zijn voorbeeld. Daarna deden Juka en Alja dat. De druppels vielen op elkaar.

‘Wij zijn bloedbroeders,’ fluisterde Atorro. ‘Niets zal ooit tussen ons komen. Laat dit ons teken zijn.’

De volgende dag gingen Juka en Alja terug naar Vaudan. Ik heb toen nog wel gevraagd of dat veilig was, maar Atorro had gezegd dat dat geen enkel probleem zou zijn.

‘Mij zijn ze al bijna vergeten, en jullie, het zal zijn alsof jullie nooit bestaan hebben. Geloof mij, één van de vele fouten die ze nog zullen maken. Groet Padme, zeg haar dat ze op mij wacht.’

We hebben hem toen nog verbaasd aangekeken vanwege het gezag waarmee hij sprak. De afgelopen dagen was Atorro, zo leek het, volwassen geworden en wij waren de eersten die dat zagen.

Juka meldde zich aan de kazerne en deed net alsof hij wilde ontvluchten aan zijn tirannieke vader, één van de meest voorkomende redenen om dienst te nemen in het leger. Padme liet zich door onze moeder naar het hof sturen om geld te verdienen voor haar vele broertjes en zusjes. Zij werd zonder dat haar lastige vragen werden gesteld, aangenomen in de keuken. En Alja deed gewoon of er niets gebeurd was. Niemand had onthouden dat zij de dienster was geweest die een paar dagen geleden aangeboden had om eten naar de bewakers van Atorro te brengen. Ze kreeg alleen op haar kop van de derde assistent huishouden, omdat ze een paar dagen niet was komen opdagen, maar toen ze iets riep over een zieke vader werd er niet over doorgevraagd. Er werd haar zelfs geen loon ingehouden.

Atorro leek zo goed als vergeten en inderdaad deed geen mens ooit navraag naar de vroegere schoolkameraadjes van de voormalige kroonprins. Dat zij net als Atorro verdwenen waren, werd slechts opgevat als bevestiging dat van het gepeupel geen trouw verwacht kon worden. Zodra hun weldoener uit de gratie was, hadden ook zij hun handen van hem afgetrokken en niets meer van zich laten horen. De dag van zijn val hadden zij het niet voor hem opgenomen en zich nooit meer laten zien in de school.

Alleen Pinas gebruikte het nog wel eens als voorbeeld van een onbedoelde maar geslaagde grap. De vroegere kroonprins, hij noemde hem nooit bij zijn naam, had een paar kinderen uit het volk willen verheffen, maar met zijn val had hij hen in nog grotere ellende gestort. Zij weten immers nu wat ze missen. Maar ook hij vond het niet de moeite waard om uit te zoeken wat er nu precies met ons gebeurd was. En, al had hij het wel gedaan en had hij dan ontdekt dat één van de vroegere vrienden van Atorro nu in zijn leger diende en dat een vriendinnetje nu in de keuken werkte, dan had hij het alleen maar als bevestiging gezien van zijn opvatting dat het gewone volk niet te vertrouwen was. Atorro was vergeten en dat bleef zo, tot wij drie jaar later opdoken in Dargor.

Leerjaren

…. zeer ontstemd. Hoe hebt u het in het hoofd durven halen om één van uw mensen te sturen om ons te bespioneren en om de voormalige kroonprins te onderwijzen. Wij zien dit als een daad van hoogverraad en zouden dit zeker zeer zwaar bestraffen als uw spion niet zo dom was geweest om zichzelf te laten betrappen. Daarmee heeft hij ons in zekere zin zelfs een dienst bewezen, want hij heeft hiermee de kroonprins in diskrediet gebracht. Gezien deze voor ons gunstige ontwikkeling, zullen wij genoeg nemen met de hoge boete zoals onder in dit schrijven weergegeven. Maar herhaalt u deze verraderlijke actie, dan zullen wij niet schromen om u en de prior te vervangen door mensen die ons wel trouw zijn. Zie dit dan ook als een laatste waarschuwing aan uw adres.

Daarom …

Brief Rujo aan de landvoogd van Dargor

Onze vlucht verliep eigenlijk buitengewoon eenvoudig. Na veertien dagen was Atorro zover hersteld dat hij weer kon lopen. We verlieten onze tijdelijke schuilplaats en liepen naar de kleine tunnel die Ustahs via Freigum verbond met Anthune. Het bestaan van deze tunnel was niet algemeen bekend en de toegang tot de tunnel was zo versperd dat de gemiddelde inwoner uit Ustahs moeite zou hebben om de tunnel te betreden. Maar wij waren geen doorsnee inwoner van Ustahs. Tijdens onze opleiding was deze tunnel, de mythische tunnel waardoor ooit Bodo Ustahs had weten te bereiken en die Roos en Zlatan later voor hun vlucht naar Anthune hadden gebruikt, regelmatig ter sprake gekomen. We waren er zelfs eens op excursie geweest waar ons precies uit de doeken werd gedaan hoe Roos en Zlatan te werk waren gegaan. De tunnel kende dan ook voor ons geen geheimen en we waren jong en in de kracht van on leven.

De tunnelpassage stelde dan ook niets voor. In Freigum aangekomen kochten we twee paarden met zadels en toebehoren van het geld dat Atorro uit de Burcht had meegenomen. Natuurlijk betaalden we er te veel voor, maar dan maakte ons niets uit. We deden ons dommer voor dan we waren en de inwoners uit Freigum stelden ons geen lastige vragen. Ze verkochten ons ook nog eten, twee zwaarden, twee kruisbogen, twee gewone bogen en bijna honderd pijlen. Toen ze zagen hoe gemakkelijk wij met de wapens omgingen, trokken ze wel even bleek weg. Vijftien en zestien waren we, maar we leken veel ouder. De mensen uit Freigum waren blij toen we, meteen nadat we onze bagage op de paarden hadden bevestigd, wegreden.

Zodra we uit het zicht van Freigum waren, zochten we een plek om te rusten. Een honderdtal passen vanaf de weg vonden we een wei met een vennetje, we zetten onze paarden vast en vielen, omdat we de afgelopen dagen amper geslapen hadden, snel in slaap.

Aan het eind van de middag werden we wakker. Ik ging op jacht en ving een konijn en een patrijs, die roosterden we boven een vuurtje. Daarna gingen we weer slapen.

De volgende morgen gingen we uitgerust op weg. We wilden de tunnel en Freigum zo snel mogelijk achten ons laten. We waren op weg naar een streek waar niemand van de kroonprins gehoord had. Daar zouden we, namen we aan, wel veilig zijn. We reden snel en voelden ons onverslaanbaar. De afgelopen vijf jaar had ik veel geleerd, natuurlijk leren lezen en schrijven, maar daarbuiten ook geschiedenis, filosofie, strategie en oorlogsvoering, poëzie en werd ons uitgelegd hoe ‘macht’ werkte. En dat naast allerlei fysieke sporten als worstelen, paardrijden, boogschieten en dergelijk. En in tegenstelling tot onze klasgenoten, hadden wij alle ons aangeboden kennis opgezogen en trainde we fanatiek.

‘Waar gaan we heen,’ vroeg ik Atorro toen we weer op weg waren.

‘Ik wil naar het westen, ik wil Anthune leren kennen en wil beginnen waar ze nog nooit van ons gehoord hebben. Enken lijkt me wel een goede bestemming.’

Enken, de stad waar Larsen ooit zijn opmars begon. Het sprak mij wel aan. We zetten onze paarden aan en reden westwaarts. Onze paarden waren beter dan we gedacht hadden. Groot en sterk, niet de protserige paarden waar de magistraten op reden, maar geschikt voor het zware werk en met een enorme conditie. De beesten leken ook blij dat ze met ons mee mochten, niet meer het zware boerenwerk, niet meer ploegen, wagens trekken en omgezaagde bomen uit de bossen slepen, maar eindeloos rijden met alleen maar een berijder en een beetje bagage als ballast. En ze kregen op tijd hun rust. De paarden gingen er gedurende onze toch steeds gezonder uitzien. Hun vachten glansden.

Gedurende onze tocht bleven we onze vaardigheden trainen, worstelen, zwaardvechten, schieten met pijl en boog en kruisboog, we zorgden dat we niet verslapten. We moesten goed blijven schieten om te kunnen jagen, maar ook omdat we beseften dat we kwetsbaar waren: twee jonge mannen, jongens eigenlijk nog, in een grote en onbekende wereld. Eén van de eerste keren dat we mensen tegenkwamen, werden we dan ook meteen op de proef gesteld. We stuiten op een groep herders, die ons eerst wantrouwend opnamen, maar daarna verlekkerd naar onze paarden keken. Onze wapens leken ze niet te zien.

‘Dag heren,’ zei hun leider, nadat hij ons een tijd zwijgend had aangekeken, ‘waarheen zijn wij op weg?’

‘Westwaarts,’ zei Atorro, mij voor de anderen een onzichtbaar signaal gevend dat ik alert moest zijn. Maar dat had ik uit mezelf ook al wel begrepen.

‘Ai, dat treft ongelukkig. Zie je, deze weg is van ons. Je had je komst moeten aankondigen en belasting moeten betalen. Dat moet nu alsnog, met een boete, ik denk dat twee paarden wel volstaan.’ Hij keek daarbij grijnzend naar zijn mannen die om hen heen waren komen staan.

‘Luister,’ zei Atorro, ‘wij moeten niets, en verder laat ons met rust als je leven je lief is.’

De man gromde en deed een stap naar voren.

Atorro had ondertussen de dolk die hij in een riem aan zijn pols droeg in de hand genomen en wierp hem met volle kracht in de borst van zijn belager. De man keek verbaasd naar het mes dat opeens in zijn borst stak en zag het bloed eromheen opwellen. De man naast hem stapte eveneens naar voren maar werd door een pijl die ik met mijn kruisboog afschoot, geveld. Bliksemsnel pakte ik een nieuwe pijl en leg die op mijn boog. Atorro had ondertussen zijn zwaard getrokken.

De overige mannen, het waren er een stuk of acht, keken verbijsterd naar hun twee makkers die nu dood op de weg lagen.

‘Heren,’ zei Atorro, ‘natuurlijk willen we best meer van jullie naar het hiernamaals sturen, daarom zou ik als ik jullie was me nu omdraaien en heel hard weglopen en zorgen dat je ons nooit meer voor de voeten komt.’

Eén van onze belagers keek ons nog gretig aan, hij leek te denken dat wij maar met zijn tweeën waren en nooit acht man tegelijkertijd zouden kunnen omleggen.

‘Vriend,’ sprak Atorro, ‘ik zie je rekenen: wij zijn met zijn achten, zij maar met zijn tweeën, ze kunnen ons nooit allemaal tegelijkertijd omleggen. Allereerst, ik zou daar niet teveel op rekenen en ten tweede, ik denk dat als we nog iemand moeten uitschakelen, jij als eerste op mijn lijstje staat. Zeg het maar.’

De man draaide zich om en zijn makkers volgende hem. Toen ze ver genoeg weg waren stapte Atorro af, liep op de aanvoerder af, draaide hem op zijn rug en trok de dolk uit diens borst. De pijl die uit de hals van de andere man stak lieten we zitten. Daarna reden we zo snel mogelijk weg, we wilden voorkomen dat de anderen versterking ophaalden om ons vervolgens toch nog van afstand neer te schieten. Al had ik niet de indruk dat zij de wapens daarvoor hadden of in staat waren om dat te doen.

Wat me nu ik terugkijk op deze episode verbaasd is dat we totaal niet geschokt waren door het voorval en we ons niet bezwaard voelden vanwege het feit dat we allebei voor het eerst een man hadden gedood. Het deed ons eerlijk gezegd niets. Het enige dat ik, toen we wegreden tegen Atorro zei, ik weet het nog precies was, ‘zo, nu weten we dus dat onze scholing niet voor niets is geweest.’

Atorro schoot in de lach. ‘Inderdaad, mooi schot had jij, maar mijn worp was ook niet mis. Wel blij dat ik mijn dolk weer terug heb. Daar ben ik toch wel aan gehecht.’

De dagen in de wildernis maakten ons taniger en gespierder. We lieten allebei onze baarden staan, waardoor we iets ouder leken. Bij Atorro was het een vlassig baardje, bij mij stelde het iets meer voor. Twee dagen later durfden we, omdat we dachten dat we wel genoeg afstand van onze belagers hadden genomen, weer een dorpje aan te doen. We werden zeer wantrouwend ontvangen.

‘We willen hier geen zwervers’ sprak de oudste, maar omdat het laat in de middag was en we onze volle beurzen toonden, werden we uiteindelijk toch binnen gelaten. Ze moeten gedacht hebben dat wij maar met zijn tweeën waren en in het dorp zelf tientallen jonge mannen telden en dat zij ons in geval van nood dus wel aankonden. We gingen naar de dorpstaverne, verzorgden eerst zelf onze paarden en bestelden daarna wat te eten en drinken. Die nacht vielen we, voor het eerst sinds lang, weer in een echt bed in slaap.

’s Nachts werden we wakker van geschreeuw en gevloek. Toen we naar buiten keken, zagen we op het dorpsplein een groepje bewapende mannen staan. Ze hadden de dorpsoudste, een man van eind vijftig voor de aanvoerder van het stel gesleept en hadden hem weer op zijn benen gezet vastgepakt. Een van de mannen sloeg hem in de buik en hij zou zeker zijn omgevallen als een ander hem niet aan zijn haren vasthield. De man gilde het uit van de pijn.

‘Kom mee,’ fluisterde Atorro.

We schoten in onze kleren, pakten onze wapens en slopen naar buiten.

Op het plein stonden de dorpelingen in een halve kring om de dorpsoudste en zijn belagers. Hun aanvoerder, een man met rossig haar, stond luidkeels te vertellen dat hij iedereen in het dorp meer dan zat was en hen allen zou straffen omdat ze te weinig betaald hadden voor de bescherming die hij hun nu al jarenlang geboden had. ‘Dit moest nu maar eens afgelopen zijn,’ schreeuwde hij, ‘ik kan niet anders, ik moet een teken stellen.’

Atorro en ik hadden ons aan verspreid, hij stond links van de dorpelingen, ik rechts. We stonden buiten de lichtkring waarvoor de vuurkorf, die voor de taverne stond, zorgde. De leider van de overvallers haalde zijn dolk tevoorschijn. Hij liet hem iedereen zien en hield die toen voor de ogen van de dorpsoudste. Alle omstanders, het waren er zeker honderd, leken verlamd. Het viel me nu ook op dat ze bang waren. Geen van hen droeg een wapen.

Vlak voor hij dreigde toe te steken, stak er opeens een pijl in zijn hals. Bloed gutste in het ritme van zijn hartslag uit de wond. Het duurde even voordat de man het leek te beseffen, toen viel hij om. Ik schoot de man de dorpsoudste vasthield neer door een pijl in zijn rechter zij te schieten. De pijl drong tot ver in zijn lichaam naar binnen. Hij was kansloos.

De overvallers stonden als versteend. Weer viel één van hen, een pijl was recht in zijn hart geschoten. Ik trof nog iemand in zijn voorhoofd. De pijl drong zijn schedel binnen. Op korte afstand afgeschoten zijn kruisbogen zeer krachtige wapens. Een vijfde man viel. Toen pas kwamen de overgebleven belagers in beweging. Ze schreeuwden vertwijfeld en renden weg. Zowel Atorro als ik verspilden geen pijlen aan de vluchters. Samen stapten we op de lijken toe, voor een laatste inspectie, al wisten we eigenlijk wel dat dat niet nodig was. En inderdaad ze waren alle vijf dood.

Atorro grijnsde. ‘Je staat er één achter Ate, komt dat ooit nog goed?’

Ik grinnikte en wees op degene met de pijl in het voorhoofd. ‘Kijk, dat is pas een mooi schot, ik vind eigenlijk dat die voor twee moet tellen. Dan staan we weer gelijk.’

De dorpelingen keken ons verbijsterd aan, de dorpsoudste zat nog op zijn knieën. Ik zag dat hij in zijn broek geplast had. Ik bukte en hielp hem overeind. ‘Meester,’ zei ik, ‘het is voorbij, de komende maanden zult u geen last meer hebben van dit gespuis. En als ze weer bij zinnen komen, moet u zorgen dat uw mannen bewapend en getraind zijn. Wij kunnen u daarbij helpen. Dan zal u dit niet meer overkomen.’

De man beefde nu over zijn hele lichaam en mompelde onverstaanbare woorden.

Toen wij weer naar de taverne weer liepen, stapten de dorpelingen angstig achteruit. Binnen gekomen griste Atorro een karaf wijn van de toog en twee glazen. We waren alleen in de gelagkamer. Atorro schonk de glazen vol. We proosten samen en toen begon ik te giechelen tot ik het niet meer hield. We bulderden uiteindelijk van de lach. Zo verliet alle opgekropte spanning ons lichaam. Toen we uitgelachen waren bleven we nog lang in het donker zitten.

De volgende ochtend liepen we weer naar buiten. Alle dorpelingen zaten op de grond op ons te wachten.

Ik liep op de lijken toe en nam hen de wapens af die ze droegen, in totaal vijf messen, twee handbogen, twee kruisbogen en drie zwaarden. Ik riep en een paar jonge mannen liepen op mij toe. ‘Dit is het begin van jullie wapenrusting. Weten jullie hoe hier mee om moeten gaan?’

Ze knikte ontkennend, maar later bleken ze wel allemaal te kunnen boog schieten. Het waren per slot van rekening ook jagers. De kruisboog was voor hen wel een onbekend wapen, maar dat is logisch omdat het dure wapens zijn en eigenlijk alleen door soldaten gebruikt worden.

We bleven nog twee dagen in het dorp en leerden de mannen de basisvaardigheden hoe om te gaan het wapentuig. In het begin waren ze huiverig, zeker de ouderen, maar op voor Atorro kenmerkende wijze legde hij hen uit dat ze geen keus hadden.

‘Luister, ‘zei hij, ‘wij zijn met een paar dagen weer weg. Jullie uitzuigers zitten nu nog hun wonden te likken, maar na een paar vaten wijn geleegd te hebben en nadat zij zich hebben gerealiseerd dat wat jullie hebben uitgehaald, hen zal beroven van hun inkomsten en dat het nieuws daarover als een lopend vuurtje zal rondgaan tussen de omliggende dorpen, zullen ze naar jullie terugkomen. Op dat moment moeten jullie er staan en hen voor goed in de pan hakken. Anders zullen jullie de slaven blijven die jullie tot nu toe waren.’

Eén van de oudsten begon te mopperen. ‘Wat wij hebben gedaan, wij hebben niets gedaan. Jullie hebben vijf van hen doodgeschoten en zo hun woede over ons afgeroepen.’

‘Dat klopt,’ antwoorde Atorro vrolijk, ‘daarin heb je helemaal gelijk, maar weet je, dat weten jij en ik maar zij niet. En bedenk wel, wij zijn over een paar dagen weer weg. Wil je niet net als hen eindigen als lijk, dan zul je nu wat moeten doen. Anders bungelen jij en alle mannen over een paar dagen aan die grote boom daar,’ en hij wees op de boom die midden op het plein stond.

‘Willen jullie niet blijven,‘ vroeg een van de andere oudsten. ‘We zullen jullie er goed voor betalen.’

‘Nee dat zal niet gaan,’ zei Atorro, ‘wij hebben andere zaken te doen. Maar wees niet bang, jullie zijn met veel meer en jullie hebben nu wapens. Laat, als ze komen, je niet intimideren, maar schakel ze meteen uit. Daarmee bevrijden jullie jezelf en deze hele streek. Reken niet op het gezag, maar neem zelf het heft in eigen hand. Het zal jullie veel kosten, maar nog meer brengen. Geloof mij, jullie kunnen dat.’

De volgende dag vetrokken wij. We werden door iedereen uitgezwaaid.

Jaren later ben ik nog een keer naar hen teruggekeerd. De ontvangst was vrijwel gelijk als de eerste keer, het liefst hadden ze me weggestuurd, maar toen ik vertelde wie ik was, veranderde de sfeer volledig. Ik werd als een held binnen gehaald. Tijdens het feestmaal vertelde de dorpsoudste, een ander dan tijdens ons eerste bezoek, want die was een paar jaar geleden overleden, hoe het hun was vergaan.

De roversbende had zich versterkt en zwaar bewapend waren ze het dorp binnen getrokken. Toen ze midden op het plein stonden werd een van tevoren gegraven geul gevuld met brandhout die was gedompeld in brandbare olie aangestoken. De rook verblinden hen en de mannen raakten in paniek omdat de dorpelingen in het wilde weg pijlen in de rook schoten die verscheiden bandieten dodelijk raakten. Radeloos renden ze door de brandstapels waarbij de kleren van sommigen in de brand vlogen.

‘Dat waren helemaal gemakkelijke doelwitten,’ grinnikte mijn gesprekspartner. Sindsdien was de naam en faam van het dorp gevestigd en hebben ze nooit meer te maken gehad met overvallers. ‘In het dorp,’ vertelde mijn gastheer, ‘en de dorpen in de regio zijn sinds jullie kortstondige aanwezigheid altijd burgerwachten actief, we beschikken over voldoende wapens en iedereen is zelfbewust en trots. En dat dankzij jullie.’

Ik vond het mooi om te horen, maar heb niet verteld dat Atorro nu koning van Ustahs is. Voor deze dorpelingen waren en zijn we nog steeds onbekende helden.

Wij trokken verder en na een maand kwamen we aan bij de kust, iets ten noorden van Enken. Het was najaar, het was er kouder en regende vaak. We besloten daarom naar de stad te gaan. Enken was een middelgrote stad en telde een paar duizend inwoners. Het lag aan een baai die een natuurlijke haven vormde. Enken was een belangrijk handelsknooppunt. Via de rivier, die daar in de zee stroomde, was het binnenland goed bereikbaar. Van alles werd zo naar Anthune verscheept: eten en drinken, maar ook hout en wol. Daarom had, in tegenstelling tot in het verleden, de elite van Enken geen politieke ambitie. Alles draaide immers om de handel, een laag politiek profiel was daarbij in hun voordeel.

Dat wil niet zeggen dat ze de bevolking niet stevig in hun greep hadden. Nog dezelfde middag dat we de poort doorreden werden wij uit de taverne, waar we ons intrek hadden genomen, gehaald en onder begeleiding van enkele potige soldaten naar het gemeentehuis gebracht voor een stevige ondervraging. Maar wij wisten hoe we het spel moesten spelen en nog voor het donker werd, hadden wij voor twee jaar getekend in het leger van Enken. Dat bestond voornamelijk uit huurlingen uit de omliggende regio’s. Slechts een enkeling kwam uit het oosten en het noorden en slechts één soldaat kwam uit Ustahs. Dat was een zonderling die nauwelijks sprak en al jaren niet in zijn geboorteland was geweest. Over herkenning hoefden wij ons, dachten wij dan ook, geen zorgen te maken.

Binnen twee mand hadden we carrière gemaakt. We vielen op door onze discipline, onze vaardigheden in het hanteren van wapens en doordat we niet dronken. We stonden steeds vooraan om ons aan te melden voor expedities, de enige voorwaarde die we stelden was dat we samengingen. Na twee tochten kregen we zelfs al de leiding over onze compagnie die uit zo’n dertig man bestond Door deze expedities, die als doel hadden het land te beveiligen, struikrovers onschadelijk te maken en de bewoners van de kleinere dorpen en steden duidelijk te maken dat ze wel belasting moesten betalen, kregen we een goede indruk van het westen van Anthune en leerden we hoe we met dorpsoudsten, kasteelheren, en bandieten moesten omgaan. Door het gemak waarmee Atorro hen inpakte, voorkwamen wij dat we geweld hoefden te gebruiken en verloren we, in de negen maanden dat we voor de burgemeester van Enken werkten, geen enkele man. Na een paar keer stonden dan ook manschappen te dringen om deel uit te maken van onze compagnie.

De laatste tocht, het was alweer eind zomer, was ook de soldaat die uit Ustahs kwam bij ons ingedeeld. Het was een probleemloze expeditie totdat die soldaat Atorro aansprak. ‘Voor een koningszoon doe je het echt heel aardig, je lijkt in geen enkel opzicht op je vader.’

Ik had mijn zwaard al in mijn hand, maar Atorro maande me tot kalmte. ‘Je zou me een plezier doen als je mijn identiteit niet onthulde,’ zei hij tegen hem.

‘Geen probleem, ik hou toch al niet van praten,’ bromde de man en voor zover wij weten heeft hij woord gehouden. Maar wij vonden het risico toch te groot en een dag later lieten we onze mannen achter en gingen weer oostwaarts.

Zo keerden we, na bijna een jaar, weer terug naar Vaudan om onze plannen te smeden met Juka, Alja en Padme. Wij waren ondertussen onherkenbaar: Atorro had zijn haar helemaal afgeschoren, ik daarentegen had een volle baard.  We waren veel gespierder en volwassener geworden. Niemand zou in ons de jongens herkennen die een jaar geleden Vaudan waren ontsnapt.

Toen we ons melden bij Alja, merkten we dat er het nodige veranderd was. Alja bleek getrouwd en had al een kind. Maar ze was Atorro nog steeds volledig toegewijd. Ze bood ons onderdak en kookte voor ons, al had ze amper de ruimte daarvoor en besefte ze dat het zeer gevaarlijk was om ons te helpen. Maar ze twijfelde geen moment.

Juka was nog steeds soldaat. Atorro beval hem om carrière te maken door dienst te nemen bij de lijfwacht. Juka wilde dat eerst niet, want de lijfwacht was onder het volk de meest gehate legerafdeling, de geheime dienst die de vuile klusjes opknapten voor de magistraten, maar Atorro zei hem dat hij hem daar het beste zou kunnen dienen. ‘Ik moet weten wie betrouwbaar zijn en wie niet. Daar kom je dat te weten.’

Juka vroeg niet verder.

Padme was, viel met toen pas op, een mooie jonge vrouw geworden. Ze liet Atorro niet los met haar ogen als ze samen waren. Je grootvader leek haar echter te negeren. Hij vroeg haar niets en had ook geen opdrachten voor haar. Maar ik vergiste me want, naar later bleek, de nacht voor ons vertrek, maakte Atorro haar zwanger.

Na twee dagen in Vaudan te zijn geweest, een jaar na de dood van Silaäs, zei Atorro dat wat hem betreft de tijd rijp was. ‘Doe wat ik gezegd heb,’ zei Atorro tegen Juka toen we gingen, en daarna tot Padme: ‘blijf op me wachten.’ Daarna vertrokken we naar Dargor. We vertrokken zoals we Vaudan binnenkwamen: we liepen gewoon de poort uit. Er was geen mens die op ons lette.

In Anthune haalden we onze paarden op die we gestald hadden bij een boer. We betaalden hem het afgesproken bedrag en vertrokken meteen. Op een plek daar vlakbij haalden we onze verstopte wapens tevoorschijn. Het voelde goed aan om weer bewapend te zijn. Vervolgens trokken we kris en kras door het oosten en noorden van Anthune. Alleen Dargor meden we. We verhuurden ons soms aan lokale heersers en bouwden een netwerk op. In meerdere dorpen en stadjes zochten we naar betrouwbare bondgenoten, jonge mannen die zich verveelden op het platteland, maar niet hadden gekozen voor een criminele carrière. Daar bleken er verassend veel van te zijn, wat natuurlijk ook wel verklaarbaar is. Veel van deze mannen waren verbonden met de regio via familiebanden en waren daaraan trouw. Maar het avontuur trok wel. Wat daarbij hielp is dat we ook in staat waren hen te belonen. Dit deden we vanuit de middelen die we hadden meegenomen tijdens onze vlucht uit Vaudan en het geld dat we verdiend hadden in Enken en ook nu verdienden. Maar we letten er altijd op dat geld niet de enige reden was voor mensen om ons te steunen. Want dat soort mensen loopt altijd over zodra een ander meer biedt.

In deze twee jaar leerden we Anthune goed kennen en hadden we een netwerk van betrouwbare bondgenoten in het hele land opgebouwd. Na twee jaar vond Atorro het tijd om de wereld te laten weten dat hij nog bestond. ‘Op naar Dargor,’ zei hij grijnzend.